Albert Rubens

Portret van Rubens' zoon, januari 1627

Het is een gedicht in het Latijn over Romeinse munten. Ik denk na over de cadans en ik tel de versvoeten en lettergrepen, maar sommige lettergrepen vallen weg in de uitspraak, met zulke dingen moet ik rekening houden.

In het Brabants zou mijn gedicht zo beginnen:

Koppen van keizers, stoeten, tempels en triomfen,
            Zijn ooit vereeuwigd in metaal
Toen Rome, moederstad van mensen en van goden,
            Nog onder oude wetten stond.
De vraatzuchtige tijd bedreigt al wat de duistere
            Schoot van de aarde in zich bergt.

 

De verzameling van papa

Het is een gedicht over Romeinse munten. Mijn vader en zijn vrienden verzamelen oude munten en kostbare cameeën: beeldhouwwerk in het klein, geschiedenis die je in je handpalm kunt houden en helemaal in detail bestuderen. Ik doe dat dikwijls, ik bekijk een gouden denarius of een bewerkte agaat en verwonder me erover hoe mooi haarlokken zijn weergegeven, en hoe zwierig de toga’s vallen.

Mijn vader heeft ook levensgrote marmeren beelden uit de tijd van de Romeinse keizers, en een mummie uit Egypte. In een stenen kist, rood en blauw beschilderd. Het meest houd ik van de buste van Seneca: hij was een grote filosoof uit Rome, en mijn vader en mijn ooms en hun vrienden lezen graag zijn boeken.

 

Wij moeten sterk zijn

Seneca zei dat men de slagen van het leven het hoofd kan bieden door emoties te beheersen. Het leven slaat hard en wij moeten sterk zijn – vorig jaar is mijn moeder gestorven, en drie jaar daarvoor mijn zusje, Clara Serena. En nu is mijn vader dikwijls in Brussel, en er is sprake van dat hij binnenkort naar Spanje zal moeten reizen, voor de doorluchtige aartshertogin. Het heeft met politiek te maken. Mijn broertje Nicolaas en ik, wij zullen dan bij onze oom Brant logeren.

 

‘Ik weet dat jij haar ook mist, jongen’

Dan kan ik niet meer bij vader in zijn studiolo zitten als hij brieven schrijft of traag was smelt om de brieven te verzegelen of zijn cameeën uit de kistjes neemt. Ik moet dan wel stil zijn (meestal maak ik mijn Latijnse thema’s zonder te veel met papier te ritselen of met mijn pen te krassen). Ik ben graag bij hem. Hij is zo wijs, hij kan zo veel! Hij praat soms met me over Seneca. Hij heeft me verteld hoe hij de buste kocht in Rome, ze was toen pas opgegraven, voordien wist niemand hoe Seneca eruitzag. Eén keer heeft hij gezegd: “Ik weet dat jij haar ook mist, jongen. We missen haar ’s morgens, ’s middags en ’s avonds.” Toen voelde ik me volwassen en sterk, omdat mijn vader me in vertrouwen nam. Met Nicolaas zou hij alleen maar wat spelen, die is nog maar acht.

 

Later…

Wanneer mijn gedicht af is, zal ik het vader laten lezen. Ik schrijf wel graag, over de oudheid. Later zou ik over vaders cameeën willen schrijven. En ook over de manier waarop Grieken en Romeinen zich kleedden, in verschillende eeuwen. Vader weet daar veel van, hij moet immers dikwijls beroemde veldheren en filosofen schilderen. Toga en tunica en pallium en laarzen en sandalen. Ik lees graag de kleinere boeken van schrijvers uit de oudheid, de minder bekende werken, daar zijn altijd parels in te vinden. En misschien vind ik zelf in een klooster of een bibliotheek een manuscript van een vergeten auteur.

 

Rubens was erg trots op zijn zoon

In 1627 was Albert Rubens de jongste dichter van Antwerpen: zijn Latijnse gedicht over antieke munten werd gepubliceerd in een boek. Rubens was erg trots op zijn oudste zoon. Toen hij in 1629 voor politieke onderhandelingen in Madrid verbleef, schreef hij op 28 december aan zijn vriend Jan Caspar Gevartius: “Ik bid u om mijn kleine Albert, dat beeld van mijzelf, niet in uw huiskapel maar in uw studeerkamer op te nemen. Ik houd van dit kind en beveel het sterk bij u aan, u, de beste mijner vrienden en de hogepriester der Muzen: draagt u zorg voor hem, of ik leef of sterf, samen met mijn schoonvader en broeder Brant.”

En in augustus 1630 correspondeerde hij met zijn Franse vriend, de zeer geleerde archeoloog Nicolas-Claude Fabri de Peiresc, over antiek vaatwerk en kookgerei; hij vermeldde erbij: “Voor de citaten uit de klassieke auteurs heeft mijn zoon Albert gezorgd, die zich verdiept in oudheidkundige studies en vooruitgang boekt in de Griekse taal. Hij vereert bovenal uw naam en aanbidt uw edele verstand. Aanvaard zijn bijdrage in deze geest en neem hem op in de rangen van uw dienaars.” De bescheiden Albert schreef later enkele boeiende studies over antieke cameeën, munten en kleding: een werd anoniem gepubliceerd door vrienden, de andere zijn pas na zijn dood uitgegeven.

 

Na Rubens’ dood

Albert Rubens volgde in 1640 zijn vader op als secretaris van de Geheime Raad, een belangrijke functie aan het hof. Voor Peter Paul Rubens was dit een eretitel geweest, Albert voerde het werk nauwgezet uit en verhuisde ervoor naar Brussel. In 1641 huwde hij Clara del Monte, een dochter van Susanne Fourment (de oudere zus van zijn stiefmoeder Helena). Albert en Clara kregen vier kinderen, drie meisjes en een jongen, Albert-Hyacinthe, die slechts elf jaar oud werd. 

 

Hondsdolheid

Op 31 december 1656 schreef Albert Rubens aan zijn vriend Nicolaas Heinsius: “Mijn enige zoon, een kind dat de beste hoop gaf, werd op het einde van juli laatstleden lichtelijk gebeten door een hond en vijftig dagen later werd hij door waterzucht aangetast, waarop hondsdolheid volgde en in weinig uren werd hij mij ontroofd. Door deze slag ben ik zodanig verpletterd dat ik nauwelijks tot bezinning komen kan. Ik smeek je, lach niet om deze zwakheid van mijn geest; ik meende dat ik tegen alle slagen bestand was door de lectuur van Seneca’s boeken… ” Albert Rubens stierf ruim een jaar later van verdriet; zijn vrouw Clara volgde hem zes weken later in het graf. Uit hun sterfhuisinventaris blijkt dat ze al de kledingstukken van hun zoontje bewaard hadden. Albert en Clara liggen beiden begraven in de Rubenskapel van de Sint-Jacobskerk in Antwerpen. Hun drie dochtertjes werden verder opgevoed door Alberts neef, Filips Rubens, stadssecretaris van Antwerpen. 

Meld je aan voor onze nieuwsbrief