Helena Fourment

Portret van Rubens' tweede echtgenote, zomer 1637

Ik fris me op en kies mijn nieuwste pareloorbellen uit. Ik kreeg ze van Peter Paul voor mijn naamdag. Die is pas in augustus maar hij kon niet wachten om ze me te geven. Anneke strikt de zijden linten bij mijn mouwen en haalt mijn zomermantel. Zodra de koetsier er is, kunnen we vertrekken. Ik kijk in de spiegel. Mijn haar is zwierig opgestoken, mijn wangen blozen.

Blijf staan, Claartje ja, zo - met het maskertje naast je gezicht. Blijf nog even stil zitten, Frans, het zal niet lang duren. Pas toch op, Anneke, zorg dat Isabella niet valt, hou haar dan toch vast, waar zijn je gedachten, ze kan nog niet ver stappen. Ik moet aan Peter Paul zeggen dat Anneke soms maar een slordige kinderoppas is. Het is zomer, ik draag mijn witte jurk en lichte hoed; Fransje ziet er prachtig uit met zijn fluwelen baret, hij is vast wel het mooiste jongetje van Antwerpen, met zulke grote, dromerige ogen.

 

Mijn man schetst snel

 “Ideaal”, zegt Peter Paul, “blijf nog even naar hem kijken terwijl hij naar mij kijkt, zo komt er leven in het portret.” Hij schetst snel, mijn man, hier en daar brengt hij een veeg kleur aan; en wanneer hij het portret op groot formaat uitwerkt, zal de sfeer van deze julidag voor eeuwen zichtbaar, voelbaar blijven. Kijk: de schets is al klaar. Goed. Ik zet Fransje neer en veeg een pluisje van zijn baret, onze Clara loopt de tuin in, dat kan ze al goed, ze is al vijf. Anneke tilt Isabella op en neemt haar mee om een dutje te doen, in de kamer bij onze pasgeborene, die we Peter Paul hebben gedoopt. “Wat een rijkdom,” zei mijn man toen, “zoveel zonen te hebben dat ik er ook één mijn eigen voornaam kan geven. En misschien wordt hij dan wel een schilder.” We zijn gezegend.

 

De laatste weken van de zomer

Straks reizen we opnieuw af naar ons Steen, voor de laatste mooie weken van de zomer. Ik verheug me daarop, het leven is daar zo rustig, Peter Paul hoeft niet zo hard te werken en ik kan er zo lang met de kinderen spelen als ik wil. We maken er tochtjes te paard, en onderweg schetst Peter Paul  het landschap. Daarmee maakt hij kleine schilderijen voor zijn plezier, met onze landerijen en een regenboog, onze landerijen in de eerste zon na een bui, zo fris en weids. In zijn atelier in de toren, met het verre uitzicht. We zijn nu maar voor een week in Antwerpen, ik ga straks mijn zus bezoeken en Peter Paul wil rustig de brieven beantwoorden die voor hem gekomen zijn. 

 

Helena na de dood van Rubens

Peter Paul Rubens stierf op 30 mei 1640; hij was 62. Helena werd na tien jaar huwelijk een jonge weduwe van 26. Negen maanden na Rubens’ dood schonk ze nog het leven aan een dochtertje, Constantia Rubens. Enkele jaren later trouwde Helena met jonker Jan Baptist van Broechoven van Bergeyck, met wie ze zes kinderen kreeg, het oudste wellicht buiten het huwelijk.

Helena overleed op 15 juli 1673 in Brussel; haar stoffelijk overschot werd op 4 augustus 1673 bijgezet in de Rubenskapel in de Sint-Jacobskerk van Antwerpen.

Haar man schreef op de dag van haar overlijden aan een familielid: “… ik heb net op smartelijke wijze mevrouw de Bergeyck verloren, mijn dierbare gezellin, het behaagde God om haar op 15 juli tot zich te roepen. Zij had met voorbeeldige vroomheid de heilige sacramenten van de Kerk ontvangen. Een lange en pijnlijke ziekte heeft zij met ongehoord en echt christelijk geduld verdragen, zij schikte zich volledig in de goddelijke wil en de goddelijke majesteit heeft haar tot haar laatste ademtocht de genade van al haar geestvermogens verleend. “

Meld je aan voor onze nieuwsbrief