Maria Pypelinckx

Portret van Rubens' moeder, september 1608

Kom, neem plaats bij het vuur, ik zal u over mijn leven vertellen. Ik leefde in een interessante tijd. U weet wat dat betekent: onheil. Maar ach, het onheil is er altijd, wij mensen moeten moedig strijden. En dat, meen ik, heb ik gedaan.

Mijn zonen Filips en Peter Paul

Mijn zoon Filips is secretaris van Antwerpen. Hij woont nog bij me, maar zal binnenkort trouwen. Vroeger schreef hij Latijnse gedichten voor het meisje van zijn dromen, nu spreekt hij haar aan in gewone taal, dat werkt veel beter. En mijn jongste zoon, Peter Paul, woont in Rome. Hij krijgt er mooie opdrachten, hij werkt aan een prachtig schilderij voor de mooiste Romeinse kerk, maar ik zou hem zo graag terug zien. Als hij niet snel komt, is het te laat. En ik zit hier te dromen, onder een deken van bont bij het vuur: ik krijg het niet meer warm.

 

Wat rook hij lekker, mijn man Jan

Mijn vader handelde in tapijten. Prachtige weefsels om koude muren mee te bekleden, weefsels vol planten, dieren, helden uit de oudheid, ridders en heiligen. Weefsels doorschoten met gouddraad, die glanst bij het licht van de haarden, de kaarsen en de fakkels in de winter. Ik keek er graag naar. Onze tapijten werden geweven in Brussel en waren heel kostbaar. Mijn vader handelde ook in Turkse tapijten, zonder planten, dieren of mensen, maar met perken en wegen en de kleuren van bloemen: mooi aangelegde tuinen om uit te spreiden over de vloer. O, hij verdiende goed zijn brood. En zo genoot ik van een zorgeloze jeugd in onze bruisende stad Antwerpen. Hier werd ik verliefd op een knappe, veelbelovende jongeman. Jan Rubens. Zijn vader was apotheker en Jan had in Italië rechten gestudeerd. Hij rook lekker, naar de kruiden van zijn vaders winkel. Ik was zo trots op hem! En iedereen in Antwerpen kende zijn kwaliteiten: hij is vijf jaar schepen van deze stad geweest, tot ieders tevredenheid. Maar er broeide onrust. En toen kwam de Beeldenstorm.

 

De vlucht naar Keulen

Jan vond al langer dat er iets moest veranderen in de maatschappij. Hij werd een volgeling van Calvijn, want Calvijn was hij net als hij een jurist, en hij ging akkoord met alles wat Calvijn schreef over de wansmakelijke verering van afgodsbeelden in de kerken en onze verknechting door Rome.  Er waren er velen die dachten als hij in het stadsbestuur. Toen de calvinisten in de stad de kerken bestormden en alle beelden en schilderijen kapot sloegen, in het wonderjaar 1566, liet het stadsbestuur hen eigenlijk betijen. En wij waren blij, want we wilden graag de kerken gebruiken als verbeterde, gezuiverde  gebedshuizen voor onszelf. Het gewone volk zou dan wel volgen. Jan dacht dat de prins van Oranje, de belangrijkste edelman hier te lande, de gemoederen zou kunnen bedaren en de calvinisten hun zin zou geven. Maar toen stuurde onze koning de hertog van Alva naar de Nederlanden. En wij stonden op zijn zwarte lijst. Jan wachtte niet, hij liet me het hoogstnodige inpakken, ik moest zelfs het speelgoed van de kinderen achterlaten, en we vluchtten naar Keulen.

 

De verleidster

Ik vond het moeilijk, vluchteling zijn. Zonder zekerheid, zonder beroep, zonder status. In Keulen woonde ook de vrouw van de Prins van Oranje. Zij was een Duitse van geboorte, Anna van Saksen. Ze vroeg mijn man om juridisch advies. Ik herademde: hij kon zijn beroep opnieuw uitoefenen en zou belangrijke vrienden maken. Maar de prinses was een ongelukkige, ongedurige vrouw. Ze verleidde mijn man. Ze werd zwanger. In de lente van het jaar 1571. En de broers van de prins namen Jan gevangen en sloten hem op in een kerker van hun voorouderlijk kasteel, Dillenburg.

 

Het verraad

Ik wist van niets. Op een dag was mijn man verdwenen en ik hoorde pas weken later wat er gebeurd was. Kunt u zich voorstellen, lieve voorbijganger, hoe ik me toen voelde? Ik stond alleen, met kleine kinderen, in een vreemde stad. Mijn man had mij verraden. Mij, en de prins van Oranje. En onze kinderen. Mijn wereld stortte in.

Maar ik moest sterk blijven. Na een tijd kreeg mijn man de toestemming om een brief te schrijven. Hij smeekte mij daarin om vergiffenis. Hij had alle moed verloren en hoopte op een snelle dood, dat voelde ik. De scherven van mijn hart braken nogmaals. En ik vergaf hem. Hij was de vader van mijn kinderen. Onze verstandhouding was altijd goed geweest.  Ik vocht. Met de schaarse middelen die mij als vrouw ter beschikking stonden. Ik schreef smeekbrieven aan de heren die hem gevangen hielden. Ik troostte mijn man met brieven, ik schreef hem moed in. “Hoe zou ik zo hard kunnen zijn om u nog meer te bezwaren in uw grote ellende en angst? Ik zou u daar graag met mijn eigen bloed uit willen helpen, als dat kon… en schrijf nu toch niet meer ‘waardeloze man’, want ‘t is toch vergeven.” Ik zwaaide met geld.  Mijn geld, ons geld, het geld van mijn familie. Ik kocht mijn man vrij en ons gezin arm. Het duurde twee jaar, toen werd hij uit de burcht vrijgelaten. Maar hij bleef onder huisarrest, in het stadje Siegen. De prinses had intussen zijn kind gebaard, een dochtertje. De prinses werd krankzinnig. Pas toen zij stierf, in 1577, werd mijn man echt vrijgelaten en mochten wij terugkeren naar Keulen. Mijn Filips, mijn Peter Paul, ze zijn in Siegen geboren, als een laat geschenk.

 

Een gebroken man

Mijn man was gebroken. Hij had geen veerkracht meer, geen werkkracht. Ik zorgde voor de inkomsten, ik trad in de voetsporen van mijn vader en werd koopvrouw. En toen Jan stierf, keerde ik met de kinderen naar Antwerpen terug. Naar mijn vaderstad, mijn moederstad. Ja, zelfs naar de kathedraal van Maria, de vrouw die door Calvijn zo geminacht werd. In 1589 was ik hier weer! Om nooit meer weg te gaan. Het was moeilijk, maar ik was zo blij om mijn moedertaal opnieuw te horen, mijn familie te zien, om mijn kinderen opnieuw kansen te kunnen geven. Het geheim van Siegen begroef ik in mijn hart. Filips en Peter Paul, zij weten er amper iets van.

 

Ik hoop dat Peter Paul snel terugkeert…

Filips heeft Peter Paul een brief gestuurd, over mijn gezondheid. O, ik hoop dat hij terugkeert, dat hij nu te paard zit, al voorbij de Alpen is; dat ik hem nog even kan zien. Hij kan hier ook mooie schilderijen maken, vele kerken die vernield waren hebben nieuwe versiering nodig. Ik word moe, lieve voorbijganger, laat mij, zo verzoek ik u. Ik moet rusten.

 

Epiloog

Maria Rubens overleed op 19 oktober 1608. Rubens vernam pas op 28 oktober in Rome dat zij ernstig ziek was, vertrok spoorslags en kwam op 8 december in Antwerpen aan. 

Meld je aan voor onze nieuwsbrief