Nicolaas Rubens

Portret van Rubens' zoon, september 1655

Ik hoor de eenden en de zwanen op onze slotgracht, hier in mijn kamer waar ik ziek te bed lig. Altijd let ik op het geluid van vogels, dat is al mijn leven lang zo. Mijn vader, Pietro Paolo Rubens, Ridder en Secretaris van de Geheime Raad in Brussel, noemde me soms speelvogel.

Ik was acht toen mijn moeder stierf

Ik was acht toen mijn moeder stierf. Daarna ging vader jarenlang op reis, grote broer dook weg in zijn dikke boeken, en ik speelde in de paardenstallen, voederde mijn vogels in de volière, keek naar het werk van Willem onze hovenier en Robert onze koetsier. Dat vond ik het mooiste, dieren verzorgen en dingen zien groeien.

Na de dood van onze moeder schilderde mijn vader mij en mijn grote broer. Albert draagt een dik boek, ik begreep niet hoe hij altijd met die saaie stoffige dingen bezig kon zijn; en ik houd een mooi zitstokje met belletjes in de hand en speel met een distelvink. Mijn lieve mooie tamme distelvink, die uit mijn hand at. Hoe heb ik geweend toen hij op een ochtend dood in de kooi lag.

 

Een nieuwe moeder

Toen ik twaalf was, kreeg ik een nieuwe moeder, die maar vier jaar ouder was dan ik. Ik wist eerst niet goed hoe ik me tegenover haar moest gedragen, ze was meer een beeldschone zus dan een moeder. Vader kocht zijn kasteel het Steen, en daar was ik het gelukkigst, tussen de velden en de bossen, in weer en wind.

 

Weg uit Antwerpen

Enkele maanden na vaders dood ben ik zelf getrouwd. Ik wilde opeens weg uit Antwerpen, weg van de herinnering aan de pijn, die zijn schildershand verlamde, weg van de erfeniskwesties en de nieuwe aanbidders van Vrouwe Helena.  Ik huwde Constantia Helman, die ik al mijn hele leven kende, zij is negen jaar ouder dan ik, dat geeft mij rust.  Met mijn erfenis  kocht ik dit Hof van Rameyen, mijn eigen domein, eindelijk. Langs een rustige baan in een dorp. Hier leven mijn vrouw en ik en onze kinderen in vrede, ver weg van de politiek en de intriges van de stad. Ik kan niet praten over schilderijen en antieke munten, ik wil geen carrière in Brussel. Ja, ik ben een landjonker, niet meer en niet minder.

 

Welke zoon had tegen zijn talent op gekund?

Had mijn vader het anders gewild? Hij wilde dat Albert een geleerde werd en publiceerde. Misschien hoopte hij dat een van ons zou willen schilderen. Maar heren van stand doen dat niet meer om hun brood te verdienen; en zijn talent was zo groot, welke zoon had daar ooit tegen op gekund? Daarbij, ik had geen gave. De werkelijkheid zien volstaat voor mij. Het volstaat dat wij zijn naam laten voortleven in de toekomst. Mijn broer heeft een zoon, ik heb drie zoons in leven, mijn jonge halfbroers zullen ook trouwen: de naam Rubens zal nog heel lang gedragen worden.

 

Ik droom van mijn moeder

Mijn broer woont in Brussel, onze stiefmoeder woont in Brussel met haar nieuwe echtgenoot. Onze familie is uit elkaar gevallen. Maar Albert is onderweg naar hier, Vrouwe Helena is onderweg naar hier, want deze koorts, ik voel het, zal mijn laatste zijn. De ziekte sleept al aan sinds vorige winter. Misschien hoef ik geen winter meer mee te maken. Ik ben zevenendertig. Dat is niet oud. Mijn vrouw komt op zachte schoenen de kamer in, brengt me mijn eten, vertelt me over de oogst en de pachters. Ik ben moe, ik val in slaap, ik droom van mijn moeder, wier gezicht ik me niet echt meer herinner, maar haar stem zou ik uit duizend herkennen. Ik droom dat mijn vader me schetst, tussendoor, in zijn atelier; hij lacht, mijn krullen zijn in de war van het spelen en ik heb geen zorgen. Op de slotgracht steken de zwanen hun snavels onder water. 

Meld je aan voor onze nieuwsbrief