Peter Paul Rubens

Dit werk is het vroegst bekende individuele zelfportret van Rubens. Het is een voorbereidende studie voor een zelfportret dat hij verwerkte in zijn belangrijkste opdracht aan het hof van de Gonzaga in Mantua: de decoratie van de capella maggiore in de jezuïetenkerk van de Noord-Italiaanse stad.

De belangrijkste tijdelijke aanwinst van het Rubenshuis is ongetwijfeld een herontdekt zelfportret van de jonge Rubens. In 1977 – het vierhonderdste jubileumjaar van de schilder - werd het tot dan toe onbekende werk gepubliceerd door de befaamde kunsthistoricus Michael Jaffé (1923-1997), een van de grootste Rubenskenners van de vorige eeuw. Zijn ontdekking kreeg echter van andere Rubensspecialisten  weinig bijval, al kan dit ook te maken hebben gehad met Jaffé’s markante persoonlijkheid. Ook kunsthistorici zijn niet immuun voor onderlinge rivaliteit en afgunst. Het zelfportret was enige tijd in bruikleen bij het Fitzwilliam Museum in Cambridge, waar Jaffé van 1973 tot 1990 directeur was. Daarna verdween het van de radar. Tot het bijna vier decennia later weer opdook.

 

Over het zelfportret

Het werk oogt als een voltooid zelfportret, maar is feitelijk een studiekop zoals Rubens ze vaker maakte ter voorbereiding op zijn grote historiestukken. De kunstenaar vervaardigde ze tijdens zijn verblijf in Italië en nog zo’n tien jaar na zijn terugkeer naar Antwerpen, maar daarna niet meer. Ze dienden om een gezicht dat meer aandacht vroeg verder uit te werken, of om een bepaald hoofd – een ‘karakterkop’ – of een gelaatsuitdrukking vast te leggen die mogelijk ooit voor een schilderij zouden  kunnen worden gebruikt.

 

De Gonzaga familie

Al in 1981 suggereerde de Rubensspecialiste Elizabeth McGrath dat het werk waarschijnlijk een voorbereidende studie was voor een zelfportret dat Rubens toevoegde aan een schilderij voor de cappella maggiore van de Santissima Trinità, de jezuïetenkerk in Mantua. In 1604-1605 schilderde Rubens in opdracht van de hertog van Gonzaga drie reusachtige, in de breedte uitgewerkte doeken die als een fries de muren van het koor van de jezuïetenkerk versierden. Boven het hoofdaltaar prijkte de Familie Gonzaga in verering voor de Heilige Drievuldigheid, terwijl de laterali links en rechts bekleed waren met voorstellingen uit het Nieuwe Testament waarin de Triniteit zich openbaart: de Doop van Christus (nu in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen) en de Transfiguratie (nu in het Musée des Beaux-Arts van Nancy).

In de centrale voorstelling (nu in het Palazzo Ducale, Mantua) is de voltallige familie Gonzaga afgebeeld in verering van de Drievuldigheid. (In de bovenzone van de compositie, in de hemel, ontrollen engelen een tapijt waarop de Drievuldigheid is voorgesteld.) Jammer genoeg is dit schilderij slechts fragmentarisch bewaard gebleven. In de oorspronkelijke compositie werd de familie geflankeerd door hellebaardiers die als een erewacht fungeerden. Het was tussen hellebaardiers rechts dat Rubens ook zichzelf had afgebeeld. Vanuit de coulissen, staande tussen de perifere getuigen van het religieuze drama, observeerde hij discreet de beschouwers van zijn schilderij. Tijdens de napoleontische bezetting van Mantua aan het eind van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw is het schilderij verminkt en versneden, waarbij diverse figuren en andere details werden uitgesneden om afzonderlijk te worden verkocht. Ook Rubens’ beeltenis is toen verloren gegaan. Gelukkig is het modello ervoor bewaard gebleven.

Dat Rubens zichzelf in de voorstelling had opgenomen, was overigens niet ongewoon. Grote meesters als de gebroeders Van Eyck, Dürer en Rafaël waren hem hierin voorgegaan. Door zijn beeltenis toe te voegen werd de kunstenaar een bevoorrechte getuige van het gebeuren en vereeuwigde hij zichzelf als de maker van het schilderij. Bovendien benadrukte hij zijn positie, en professionele en artistieke aspiraties. Ook later zijn kunstenaars zich onder de menigte blijven afbeelden. Toen Rubens in 1628 in Madrid zijn twintig jaar eerder geschilderde Aanbidding door de koningen (Museo del Prado, Madrid) herwerkte, gaf hij een van de toegevoegde ruiters zijn eigen trekken. Enkele jaren later voegde Velázquez, die Rubens’ schilderij in Madrid van dichtbij had leren kennen, zichzelf als bijfiguur toe in De overgave van Breda (Museo del Prado, Madrid).

 

Specificaties

  • Peter Paul Rubens (1577-1640)
  • Zelfportret
  • Olieverf op papier, overgebracht op doek
  • Langdurig bruikleen, particuliere verzameling

Meld je aan voor onze nieuwsbrief